Geloven is niet alleen maar blind vertrouwen. Het is niet zo dat het christelijk geloof geen plaats in neemt ten op zichte van bewijzen van de wereld. Het is eerder zo dat de wereld die christenen zien als Gods schepping vol zit met hinten van Gods aanwezigheid.

Paulus op de Areopagus

In het vroege christendom zien we Paulus ook het argument gebruiken dat God uit de natuur te kennen is. Paulus is één van de eerste voorvechters van het christelijk geloof en komt in zijn leven in discussie met de Grieken in Athene. In Handelingen 17 lezen we dat hij stelt dat het bestaan van God is af te leiden vanuit het kijken naar de wonderen van de natuur. Dit is niet zomaar als ‘bewijs’ te hanteren maar meer een bevestiging of aanvulling op de basale thema’s van het christelijk geloof.

Geloven is aannemelijk

Er is in de geschiedenis door verschillende mensen geprobeerd om op een systematische manier het bestaan van God te bewijzen. Zo heeft Anselmus van Canterbury (1033-1109) een poging ondernomen. Hij stelde dat menselijke gedachten over God konden geïnterpreteerd worden als indirecte uitingen van het bestaan van God. Hoewel door zijn poging hele goede argumenten naar voren zijn gebracht om in God te geloven kunnen we dit niet als ‘bewijzen’ aanvoeren.
Een ander persoon die een poging heeft ondernomen is Thomas van Aquino. Hij zette vijf manieren uiteen waaruit het bestaan van God was af te leiden. Zo leerde hij dat de natuur duidelijke sporen bevat waaruit het bestaan van God is af te leiden. Natuurlijke processen lijken ergens voor bedoeld. Volgens Thomas van Aquino kunnen dingen niet aan zichzelf een bedoeling geven. Hij concludeerde dat de bron van de ontwerp en ordening van de natuur alleen maar van iets hogers, God zelf afkomstig kan zijn. Deze pogingen om God te bewijzen zijn heel waardevol maar kunnen niet als sluitende bewijzen gezien worden. Wel laten ze zien dat het bestaan van God aannemelijk is.

De geloofssprong

De natuurkundig John Polkinghorne is verder gegaan met het uitwerken van de bovenstaande ideeën. Hij benadrukt dat het christendom zich net zoals de natuurwetenschap de taak heeft om de wereld te begrijpen op basis van het bewijs dat voorhanden is. Hij stelt: “Geloven is niet de vraag om je ogen te sluiten en het onmogelijk te geloven. Geloven heeft te maken met een sprong, een sprong in het licht in plaats van het donker”. Geloof moet begrepen worden als een gemotiveerd geloof op basis van bewijzen. Zijn uitgangspunt is dat de bewijzen die te zien zijn in de natuur voor hem alleen maar naar het bestaan van God wijzen.

Is Atheïsme ook een geloof?

Het fundamentele punt is dat het christelijk geloof niet tegen het gezonde verstand ingaat maar wel voorbij het gewone verstand gaat. Het bestaan van God is niet iets dat je kan bewijzen. Tegelijkertijd is het ook niet iets dat ontkracht kan worden. Het is niet te bewijzen dat God niet bestaat. Er wordt te vaak overheen gekeken dat het atheïsme dat het bestaan van God ontkent, ook een aanname of geloof is. Een atheïst kan alleen maar stellen dat het bestaan van God niet bewezen kan worden. Wanneer een atheïst al te stellig stelt dat God niet bestaat, moeten we concluderen dat hij op dat moment ook een overtuiging of geloof aanhangt. Dit geloof is inderdaad net zo moeilijk te bewijzen als voor christenen dat er wel een God is.